Voorbij de cocon.Superdiversiteit, kryptoniet en musea. Als je erop begon te letten, tijdens het eerste IMP-colloquium in Rotterdam (2017), dan viel het op. De watervallen van co-. Het lijkt onvermijdelijk in discussies over immaterieel erfgoed: de neiging om snel terug te vallen op alleen het concept “communities” en dus “groepen” links te laten liggen. “Communities, Groups & Individuals” (CGIs): die conventionele combinatie gaan immaterieel-erfgoedborgers broodnodig hebben om met superdiversiteit om te gaan. Laad desnoods CGIs in je jachtgeweer om te vermijden alleen die co(m)-munitie te gebruiken. Gelukkig is het concept gemeenschap niet gedefinieerd in de 2003-Conventie. Zo kan nog altijd de joker van de “heritage community” zoals voorgesteld door de Europese kader-erfgoed-conventie van Faro (2005) worden ingezet, en dan liefst op Vlaamse wijze (dus een netwerk van betrokken personen én organisaties). Dat co-kado van Troje dat het Vlaamse cultureel-erfgoeddecreet (2017, maar ook al in 2008) presenteerde, laat immers toe om sommige musea gewoon in die CGIs en de borging van immaterieel erfgoed binnen te smokkelen. Die co+ breekt heel de IMP-discussie open. En ja, de co-buzzwoorden bleven maar gonzen als zachte oplossingen en remedies, al dan niet in verband met collecties, co-creatie, co-productie, co-operatie, connecties en contactzones... Oplossingen en remedies? Is superdiversiteit dan soms ook een probleem? Het kan in de cultuursector enthousiast worden omarmd, zoals dat tijdens het IMPcongres gedemonstreerd werd door een hennapatroon-combineerster, die overigens terloops aangaf hoe verlammend voor de eigentijdse praktijk ideeën over zuivere, authentieke, échte vormen van (henna) immaterieel erfgoed uit een plek van herkomst, zonder speelruimte, wel konden zijn. Kryptoniet, als het ware. “Superdiversiteit” kan wel ook benaderd worden als een kwestie van co-horten en stoten. Als men denkt in termen van leeftijdscohorten (leeftijdsgroepen van 0-9, 10-19, 20-29, …) en daar dan telkens niet alleen het onderscheid tussen zogenaamde “autochtone” en “allochtone” mensen, maar ook nog eens zogenaamde etnische afkomst (of de vaderlanden van een van de ouders, om kleuren- of DNA-blind te opereren) op projecteert, dan kan men een etnodemografisch verhaal vertellen dat als een probleem kan worden ervaren. Meer “homogene” oudere groepen sterven en cohorte per cohorte stoot meer “etnische” variatie of diversiteit door De illusie van een “etnisch” homogene of nationale cultuur (wat dat in een land als Nederland, laat staan België ook moge betekenen) wordt dus steeds meer onhoudbaar, te beginnen in grootstedelijke omgevingen; waar “co-existence of different ethnic groups” in het oog springt. So what? In een migratieland als de Verenigde Staten experimenteert men al lang met concepten als “hyphenated identity”, spelend met het liggend streepje. Europa zal die ervaring en potentieel blijkbaar even moeten missen, ook bij UNES-CO. Gelukkig hebben we veel co-concepten, conventies en zelfs een Vlaams co-kado ter beschikking om co-creatief aan de slag te gaan, want de demografische evolutie zal culturele consequenties hebben. Co- en co+, collecties, contactzones en CGIs: slim mengen dus tot iedereen gewoon supermenselijk) is, musea super-co(ol) zijn en het kryptoniet geneutraliseerd is. Dit moet goed en breed doorgepraat worden, ook in musea: niet alleen conserveren maar vooral converseren.
Translated title of the contributionBeyond the cocoon.: Superdiversity, kryptonite and museums
Original languageDutch
Pages20-20
Number of pages1
Volume49
JournalMuseumpeil
Publication statusPublished - 15 Apr 2018

    Research areas

  • superdiversity, museums, Co-creation, intangible cultural heritage, UNESCO, communities, groups

ID: 37079953